Periodecijfer berekenen

Je periodecijfer is het gewogen gemiddelde van je toetsen: elk cijfer keer zijn weging, gedeeld door de totale weging. Een 6 met weging 3 en een 8 met weging 1 geven (6 × 3 + 8 × 1) ÷ 4 = 6,5.

Een gangbare opbouw: stem de namen en wegingen af op je PTA of studiewijzer.

Niet-ingevulde cijfers tellen niet mee; 0 behaalde punten tellen wel mee.

Voorbeeld geladen. Vervang het door je eigen cijfers.

Eigen cijferschaal

Uitkomst
OnderdeelCijferWeging
SO 161
SO 271
Proefwerk82

Standaard: de Nederlandse cijferschaal van 1 tot 10. Gebruik de weging, cesuur en afrondingsregels van je school of opleiding.

Zo werkt de berekening

Vul de cijfers van de onderdelen en hun weging in om je periodecijfer te berekenen.

De wegingen mogen percentages of verhoudingsgetallen zijn. Ontbrekende cijfers blijven buiten de berekening. Pas daarna de afrondingsregel van je school toe.